Gelderland I en een groeiende baggervloot
Aan het einde van de 19e eeuw bleven Hendrik Willem Ackermans en Nicolaas van Haaren de grenzen van de baggertechniek en -capaciteit verleggen. In december 1899 klopten ze opnieuw aan bij scheepsbouwer L. Smit. voor de bouw van een nieuwe zandzuiger: Gelderland I. Voor die tijd was het een opvallend grote hopper van 65 meter lang, 10 meter breed en 4,5 meter diep, een duidelijke weerspiegeling van hun ambitie om op grotere schaal te opereren.
Kort daarna volgde Gelderland II, waardoor deze nieuwe generatie hoppers verder vorm kreeg. Beide schepen maakten duidelijk hoe sterk de drang naar vernieuwing was, niet alleen in omvang, maar ook in ontwerp. De bouw ervan steunde op een hechte samenwerking met een breed netwerk van werven en toeleveranciers, een gezamenlijke inspanning die de technologische vooruitgang van die tijd echt in beweging zette.
Samen maakten deze schepen deel uit van een vloot die in snel tempo uitbreidde. Tegen 1910 telde de onderneming 10 baggermolens, 9 zuigers en 22 sleepboten in de vaart.
De naam Gelderland zou later opnieuw opduiken met Gelderland III, een zuiger die in 1923 werd opgeleverd door Werf Gusto in Schiedam.